← Alle standpunten

Ruimtelijke ordening

Ons beleid hierover is op de stad vastgelegd in het structuurplan en in het provinciaal afbakeningsplan “kleinstedelijk gebied Halle” van de provincie Vlaams-Brabant. Het sluit aan bij de visie van de Vlaamse Bouwmeester en anticipeert op de plannen van de Vlaamse regering (“betonstop in de open ruimte”). Het volgt bovendien de aanbevelingen van haast alle stedenbouwkundigen wanneer het gaat over  klimaat, duurzaamheid, mobiliteit, fijn stof, woonkwaliteit en lokale economie.

In het vorige decennium kon deze beleidsvisie behoorlijk gemakkelijk worden gerealiseerd. Ruimtelijke planningsinitiatieven werden opgezet om verlaten bedrijvensites om te zetten naar woongebied, waar vervolgens woonprojecten konden worden gerealiseerd. Deze mogelijkheden geraken de komende jaren uitgeput. Er zal dan ook meer moeten ingezet worden op de renovatie, amovatie (afbraak woonblokken om plaats te maken voor nieuwe) en selectieve verhoging van het aantal bouwlagen.

Het belang van het hebben van voldoende draagvlak bij de betrokken (omwonende) bevolking zal in die projecten cruciaal zijn en nieuwe vormen van samenspraak noodzakelijk maken voorafgaand aan het indienen van bouwdossiers. Zie hiervoor ook ons programmapunt “betrokkenheid” en “inspraak”.

Ons beleid rond ruimtelijke ordening steunt op de vier volgende pijlers:

  1. De open ruimte beschermen en opwaarderen
  2. De woonbehoeften opvangen in het woonkerngebied
  3. De stad vergroenen
  4. Economie en tewerkstelling stimuleren zonder extra inname van de open ruimte


OPEN RUIMTE BESCHERMEN EN OPWAARDEREN

  • De stad beschermt de open ruimte. Zij neemt zelf geen initiatieven om open ruimte te herbestemmen naar hardere functies. Landbouw en natuur mogen niet omgezet worden naar woongebied of bedrijfsterreinen, zelfs niet indien daardoor de invulling van de woonbehoeften in het gedrang zou komen of zelfs niet indien daardoor een verdere uitbreiding van bepaalde bedrijventerreinen onmogelijk wordt. Er is hierbij wel één belangrijke uitzondering te vermelden in het provinciaal afbakeningsgebied, namelijk de zone tussen enerzijds het bedrijventerrein Dassenveld en een geprojecteerde verbindingsweg tussen de A8 en de Edingensesteenweg. Hiervoor zijn evenwel geen uitvoeringsplannen in voorbereiding en wij zijn daarvoor geen vragende partij.
  • De stad schrapt een aantal woonreservegebieden uit het gewestplan, met name:
  • Op Stroppen worden de reservegebieden tussen het recreatiegebied en het achterliggende Alsput geschrapt
  • Het grote woonreservegebied in Lembeek aan de Vredelaan, dat eigendom is van Woonpunt, wordt kleinschalig afgewerkt en verder geschrapt
  • Het grote woonreservegebied tussen Windmoleken en Breedhout wordt kleinschalig afgewerkt en verder geschrapt
  • Het grote woonreservegebied Grote Weide wordt voor het grootste deel “on hold” geplaatst voor de volgende decennia
  • De landbouwers zijn veruit de belangrijkste gebruikers en behoeders van de open ruimte. Zij verdienen daarvoor waardering en een faire behandeling vanuit de stad, samen met een betrouwbaar partnerschap met de stad en de andere gebruikers van de open ruimte. Ook voor de vele andere functies die zij vervullen moeten zij op steun van het bestuur kunnen rekenen. Zie hiervoor ons programmapunt “landbouw”.
  • De open ruimte wordt verder vergroend, zoals lager in dit programmapunt en onder het programmapunt “groen” beschreven staat.


DE WOONBEHOEFTEN OPVANGEN IN HET WOONKERNGEBIED

  • De vraag naar woongelegenheden in Halle is groot. De vraag is zelfs groter dan gemiddeld in Vlaanderen. Opvallend daarbij is dat vooral jonge gezinnen de verhuisbeweging naar de stad willen maken. Deze beweging is ten dele kwantitatief verklaarbaar, nl. omwille van de demografische expansie vanuit Brussel. Maar deze beweging is ook kwalitatief: senioren verlaten graag de te groot geworden woningen met ruime tuinen in de buitenwijken van de stad voor moderne appartementen met grote terrassen dichtbij de centrale stadsfuncties en jonge gezinnen vestigen zich graag in een stad met goed onderwijs en veel faciliteiten voor jonge kinderen en jeugd. Als het aanbod de vraag niet volgt, dan kan het niet anders dan dat wonen veel duurder wordt. Dit staat haaks op de doelstelling om  “betaalbaar te wonen” en we moeten er ook over waken dat de woningen kwalitatief genoeg blijven.
  • In Halle stijgt de bevolking door dit samenspel van vraag en aanbod  al 20 jaar lang gemiddeld met 300 inwoners per jaar. De perceptie dat in recente jaren het aantal inwoners en woongelegenheden meer is gestegen dan vroeger wordt door de objectieve cijfers tegengesproken. Waar voorheen massaal gebouwd werd in nieuwe verkavelingen overal over de stad verspreid, is recent vooral gebouwd in de projectzones van de vroegere bedrijventerreinen. Hieruit groeit de verkeerde perceptie dat er meer gebouwd zou worden dan voorheen.
  • Het bestuur heeft sinds  1990 dan ook ingezet op een vooruitstrevende visie, waarin gekozen wordt om het wonen buiten de woonkernen te ontmoedigen en het wonen in de woonkerngebieden te stimuleren. Via BPA’s (“Bijzondere Plannen van Aanleg”) werden heel wat  verlaten bedrijventerreinen herbestemd voor woonprojecten. Denk maar aan de Molenborre op de oude fabrieken Molens Dedobbeleer, de residentie Pacha op de voormalige chicoreifabriek, het Zennepark op de voormalige site van Pharmacie Centrale de Belgiquen ’t Parkske aan de voormalige  bedrijfsloodsen van Colruyt, de Dynastiewijk op Sint-Rochus op voormalige loodsen en in Nederhem op de voormalige asfaltverwerkende bedrijvigheden van Wegebo. Voor zover nodig herinneren we toch nog eens aan de sterke troeven van bouwen op deze locaties:
  • Ze geven een mooie oplossing aan verloederde “kanker”plekken in de stad.
  • Ze vangen de woonbehoeften op in de woonkernen en verminderen zo de druk op de open ruimte en om de woonreservegebieden om te zetten in woongebieden.
  • Gezien de ligging telkens dicht bij het handelscentrum en het station geven ze aanleiding tot minder auotverplaatsingen en meer gebruik van de alternatieve vervoersmiddelen, waaronder te voet, met de fiets en het gebruik van het openbaar vervoern, waardoor er minder fijn stof uitgestoten wordt en er meer duurzaamheid en klimaatvriendelijkheid is.
  • Extra potentiële klanten voor de lokale handel, inclusief horeca en terrasjes.
  • In het vorige decennium kon deze beleidsvisie behoorlijk gemakkelijk worden gerealiseerd. Ruimtelijke planningsinitiatieven werden opgezet om verlaten bedrijvensites om te zetten naar woongebied, waar vervolgens woonprojecten konden worden gerealiseerd. Deze mogelijkheden geraken de komende jaren uitgeput. Er zal dan ook meer moeten ingezet worden op de renovatie, amovatie (afbraak woonblokken om plaats te maken voor nieuwe) en selectieve verhoging van het aantal bouwlagen.


VERGROENING VAN DE STAD

  • We willen de stad verder vergroenen, zowel in de open ruimte als in de woonkernen. Zie voor een uitgebreide toelichting ons programmapunt “groen”.
  • Wij deden dit tot hiertoe als volgt in de open ruimte:
  • Het omvattend project “Plan Boommarter” zet in op de uitbreiding van het Hallerbos maar ook op het verbinden van de diverse natuurgebieden. Het Hallerbos werd sinds 2000 al 10% groter tot 622 ha.
  • Via subsidies aan Natuurpunt werd 6ha natuurgebied aangekocht (Veugeleer, Broek, Berendries, Maasdalbos)
  • De stad kocht gronden aan voor de verruiming van het Warandepark en het speelbos Zavelput
  • In Lembeek werd 7ha industriegrond aangekocht en herbestemd naar natuur (Zenneweide)
  • Er werden 10 km nieuwe kleine landschapselementen aangelegd
  • Voor dit alles wordt verder nauw samengewerkt met het agentschap Natuur en Bos, het Regionaal Landschap en Natuurpunt. Tegenlijk wordt er een faire houding ten aanzien van de landbouwers nagestreefd
  • Wij wensen deze politiek resoluut verder te zetten en engageren ons daar bovenop heel concreet voor de 2 volgende projecten :
  • De inrichting van de Zenneweide in Lembeek als uitbreiding van het Kasteeldomein
  • De aankoop van de vijver in Essenbeek en de integratie ervan in het Warandepark
  • Wij deden dit tot hiertoe als volgt in de compacte bebouwde kern van de stad:
  • Het Elisabethpark werd na het verdwijnen van de schoolgebouwen ’t Parkske natuurvriendelijk ingericht met toegang tot de Zenne en bloemenweides.
  • Met de promotor voor de assistentiewoningen aan de Paterskerk werd overeengekomen dat de kloostertuin zal worden opengesteld voor het publiek
  • Op Nederhem wordt de stadsgrond tussen de nieuwe parking en de spoorweg  ingericht als groene buffer. Er komt daar dus een nieuw park.
  • Geveltuintjes en groendaken worden actief gepromoot
  • In de volgende jaren willen we sterk inzetten op het realiseren van het project landschapspark, met name:
  • We gaan volop voor de renovatie van het Albertpark
  • Bij de realisatie van de ondergrondse parking aan De Bres kan de Leide van een parking naar een park worden omgebouwd zodat, het stadspark dan uitbreid wordt tot aan de Slingerweg
  • Afhankelijk van de locatie van de nieuwe koker onder het kanaal kan ook aan de overzijde het park worden doorgetrokken, al dan niet in samenhang met het doortrekken van de Zenne

ECONOMIE EN TEWERKSTELLING STIMULEREN ZONDER EXTRA INNAME VAN DE RUIMTE

  • Kiezen voor het bewaren van de open ruimte betekent dat geen nieuwe bedrijventerreinen kunnen worden aangelegd. De economie en tewerkstelling moeten worden gestimuleerd door een betere aanwending van de bestaande terreinen. Dat kan voor ons als volgt:
  • De expansie van de kantoorfuncties bij Colruyt op Wilgenveld blijft mogelijk door de parkings te bebouwen en  de wagens in parkeergebouwen onder te brengen
  • Het industrieterrein Lembeek Noord werd gehalveerd maar het stuk ten noorden van de Zenneweide kan wel nog degelijk als bedrijventerrein worden ingericht
  • In het binnengebied tussen de Bergensesteenweg en de Edingensesteenweg, dat op het gewestplan als woongebied was voorzien, heeft het provinciaal afbakeningsproject het gebied omgezet in gemengd gebied voor wonen en werken. Intussen zijn hiervoor de werken aangevat.